Aios Hulleman: ‘Informatie over eerste hartritme tijdens reanimatie essentieel voor behandelkeuze’

mm
Gerben Stolk
Redactioneel,
15 december 2020

Komt een gereanimeerde patiënt het ziekenhuis binnen? Dan is het belangrijk dat de cardioloog de gegevens kent over het eerste hartritme tijdens de reanimatie, want mede op basis daarvan kan de beste behandeling worden gekozen. Die noodzakelijke data zouden standaard te achterhalen moeten zijn via de ambulancedienst of door de gebruikte AED uit te lezen. Dat bepleit Michiel Hulleman, cardioloog i.o. in Amsterdam UMC.  

Veelal buiten het zicht van medische centra heeft zich in de afgelopen decennia wereldwijd een opmerkelijke verschuiving voorgedaan. Bij steeds minder mensen die buiten het ziekenhuis worden gereanimeerd, is het eerste hartritme ventrikelfibrilleren. Dat is een nadelige ontwikkeling, omdat iemand met ventrikelfibrilleren een schokbaar hartritme heeft en daarmee de kans op succesvolle reanimatie relatief groot is. Tegenwoordig overleeft bijna de helft van deze patiënten de hartstilstand. 

Cardioloog i.o Michiel Hulleman

Ongunstige scenario 

“Wereldwijd is het totale aantal reanimaties gelijk gebleven in de afgelopen twintig jaar.”, vertelt cardioloog i.o. Michiel Hulleman. “Maar het aantal betrekkelijk gunstige situaties is gedaald, terwijl het ongunstige scenario een groter aandeel heeft gekregen. We hebben het dan over mensen die in het begin van de reanimatie geen schokbaar hartritme hebben, dus een extreem traag hartritme of een flatline. Hun overlevingskans is één à twee procent.” 

“Hoe langer reanimatie uitblijft, hoe groter de kans dat ventrikelfibrilleren uitdooft en er uiteindelijk een flatline ontstaat” 

Bevestiging 

Hulleman promoveerde recent aan de Universiteit van Amsterdam op epidemiologische en elektrocardiografische analyses van hartstilstand buiten het ziekenhuis. Zijn onderzoek op basis van Noord-Hollandse data bevestigt het beeld dat op andere plekken in de wereld was verkregen: een afname van ventrikelfibrilleren en een stijging van niet-schokbare hartritmes. “Opvallend is wel dat de verschuiving in Noord-Holland minder drastisch is”, zegt hij. “Wereldwijd ligt het percentage van ventrikelfibrilleren inmiddels op twintig procent. In ons onderzoek daalde het van zestig procent in de jaren negentig tot 45 procent in de periode 2005 tot 2008. De verklaring ligt waarschijnlijk in een uniek kenmerk van ons land: er worden veel AED’s gebruikt en er wordt heel vaak omstanderreanimatie gegeven. Dat vergroot de kans dat ventrikelfibrilleren wordt gevonden op het moment dat de reanimatie begint. Hoe langer reanimatie uitblijft, hoe groter de kans dat ventrikelfibrilleren uitdooft en er uiteindelijk een flatline ontstaat.” 

Database 

Hulleman verrichtte zijn studie met data uit het ARREST-onderzoek (Amsterdam Resuscitation Studies). Deze in de jaren negentig opgezette registratiestudie houdt alle informatie bij over reanimaties in Noord-Holland buiten het ziekenhuis. Verzameld worden de gegevens van de meldkamer waar het 112-telefoontje is binnengekomen, de gegevens van de ambulancedienst, de gegevens van de politie en brandweer die eventueel een AED hebben aangesloten, de mogelijke ziekenhuisgegevens én de medicatiegegevens van apotheek en huisarts wanneer een patiënt naar huis gaat. De database behelst informatie over 30.000 reanimaties. 

“De gemiddelde overleving na reanimatie bij patiënten thuis is slechts veertien procent. Dit is ongeveer eenderde van de overleving van patiënten die op straat worden gereanimeerd” 

Vooral thuis 

Zijn de kenmerken van patiënten veranderd in de loop der tijd? En hoe zit het met de reanimatiekenmerken? Dit zijn voorbeelden van vragen die Hulleman probeerde te antwoorden met ARREST-data. “Tussen 1995 en 1997 was de gemiddelde leeftijd van mensen die werden gereanimeerd 65”, zegt hij. “Tussen 2005 en 2008 was dat 68. Dit sluit aan bij het beeld dat de meeste reanimaties thuis plaatsvinden bij gemiddeld oudere patiënten. Mensen die in de thuissituatie worden gereanimeerd, zijn vaak mensen die ook andere onderliggende ziektes hebben, daarvoor medicatie gebruiken en niet vaak hun huis verlaten. Over het algemeen is een hartstilstand in de thuissituatie ongunstig: buitenshuis is de kans op een getuige en snelle omstanderreanimatie groter. De gemiddelde overleving na reanimatie bij patiënten thuis is slechts veertien procent. Dit is ongeveer een derde van de overleving van patiënten die op straat worden gereanimeerd.” 

Setting reanimatie 

Het is belangrijk dat de cardioloog tijdens een gesprek met een patiënt over wel of niet reanimeren op de hoogte is van de overlevingskansen na reanimaties in Nederland, zegt Hulleman. “Vaak ligt tijdens dit gesprek de nadruk op comorbiditeit en leeftijd, maar wij hebben gevonden dat comorbiditeit en leeftijd een beperkte invloed hebben op de overleving. De sterkste voorspeller van overleving is de setting waar de reanimatie plaatsvindt. En die setting – thuis of buitenshuis – ken je niet op het moment dat je een gesprek voert met de patiënt.”  

“Patiënten met goede overlevingskans belanden in het ziekenhuis. Dan is het belangrijk te weten wat het eerste hartritme tijdens de reanimatie was” 

Toewensen 

Hulleman heeft voor zijn onderzoek specifiek gekeken naar het eerste hartritme tijdens de reanimatie. De data zijn onder meer vergaard door studenten die in Noord-Holland op pad gaan om AED’s uit te lezen op plekken waar is gereanimeerd. Een andere bron zijn de data van ambulancediensten die een defibrillator hebben aangesloten. Hulleman wenst iedere cardioloog dergelijke informatie toe. “Patiënten met een goede overlevingskans belanden in het ziekenhuis. Het is belangrijk op dat moment te weten wat het eerste hartritme tijdens de reanimatie was; dan weet je wat er aan de hand is geweest. Stel, iemand had ventrikelfibrilleren. Dan is de kans groot dat hij een ICD nodig heeft. In onze database zijn patiënten geregistreerd van wie pas na ontslag uit het ziekenhuis via de AED-registratie duidelijk werd dat ze ventrikelfibrilleren achter de rug hadden.” 

Beleid overheid 

De overheid zou beleid moeten maken, meent Hulleman. In de ideale situatie krijgt volgens hem de behandelend arts meteen de informatie over het eerste hartritme uit de AED. “Nu wordt de noodzaak niet gezien door overheid en fabrikanten en eigenlijk ook niet door veel ambulancediensten en ziekenhuizen.” 

, , , ,
Deel dit artikel