Bloed-eosinofielengetal voorspellend voor respons op ICS bij COPD

mm
Daniël Dresden
Redactioneel,
11 maart 2020

Recente bevindingen van de ISOLDE-studie suggereren dat bij patiënten met matige tot ernstige COPD met een toegenomen risico op exacerbaties veranderingen van het eosinofielengetal die optreden na het starten van ICS, voorspellend kunnen zijn voor de behandelrespons.

Inhalatiecorticosteroïden (ICS) lijken alleen effectief te zijn bij een deel van de COPD-patiënten, specifiek degenen met een toegenomen eosinofiele ontsteking in de luchtwegen. Post-hoc- en vooraf geplande analyses vonden consequent een positief verband tussen het eosinofielengetal en de respons op ICS. Op basis van die analyses adviseert het Global Initiative for Chronic Obstructive Lung Disease (GOLD) om het eosinofielengetal te gebruiken bij de beslissing of een patiënt met een toegenomen risico op exacerbaties al dan niet ICS moet starten.

(Foto: Pixabay)

Eosinofielen bij astma en COPD

Het verband tussen het gebruik van ICS en het eosinofielengetal is mogelijk niet zo eenvoudig. Bij astma lijken eosinofielen een responsieve biomarker voor de behandelrespons op corticosteroïden te zijn. Door het gebruik van ICS of systemisch corticosteroïden neemt het eosinofielengetal af, wat gerelateerd is aan de effectiviteit van de corticosteroïden. Dit is niet onverwacht, omdat een afname van het eosinofielengetal waarschijnlijk een weerspiegeling is van de onderdrukking van eosinofiele luchtwegontsteking.

Ook bij COPD is aangetoond dat zowel orale corticosteroïden als ICS het eosinofielengetal in het sputum aanzienlijk kunnen onderdrukken. Mogelijk is het gebruik van ICS tevens van invloed is op het eosinofielengeta

 

Login om verder te lezen

Nog geen account? Meld u hier gratis aan.

, , , ,
Deel dit artikel