Complex antitrombotisch beleid vereist evidence-based maatwerk

mm
Daniël Dresden
Redactioneel,
8 juni 2022

Paradoxaal genoeg neemt met het toenemende aantal publicaties over het antitrombotische beleid het aantal vragen en discussiepunten toe, in plaats van dat ze worden opgelost. Een recente analyse van het Nederlandse WOEST 2-register, gepubliceerd in het Netherlands Heart Journal, bevestigt de grote praktijkvariatie. In hetzelfde nummer schreef prof. dr. Ron Peters (Amsterdam UMC) een redactioneel commentaar.

De combinatie van een indicatie voor langdurige antistollingstherapie (zoals atriumfibrilleren of een hartklepprothese) en een indicatie voor een trombocytenaggregatieremmer (meestal bij coronaire hartziekte) vereist een zeer zorgvuldige keuze van het antitrombotische beleid.

Balans tussen bloedingen en trombose

De bloedingscomplicaties als gevolg van van overmatige behandeling –  met name intracraniële en gastro-intestinale bloedingen – zijn minstens zo schadelijk als de trombotische complicaties bij onvoldoende behandeling. Bijvoorbeeld stenttrombose en een recidief-myocardinfarct.
Bij de medicamenteuze behandeling bestaat de keuze uit verschillende medicijnen (duale of tripletherapie), medicijnsterkten en doseringen en een verschillende behandelduur.

Combinatietherapie

Bij de behandeling van atriumfibrilleren hebben de direct-werkende orale anticoagulantia (DOAC’s) inmiddels de vitamine K-antagonisten (VKA’s) grotendeels vervangen. Dit is gebaseerd op het lagere bloedingsrisico, waarbij de werkzaamheid vergelijkbaar is.
Er zijn weinig gegevens over het gebruik van DOAC’s in combinatie met een of twee plaatjesremmers. Dit is meestal het geval bij patiënten m

 

Login om verder te lezen

Nog geen account? Meld u hier gratis aan.

, , , ,
Deel dit artikel