Log in om uw persoonlijke bookmarks op te kunnen slaan.
De overstap naar biosimilars: goedkoper, maar niet altijd probleemloos
De overstap van biologicals naar de vaak goedkopere biosimilars verloopt niet altijd zonder slag of stoot. Hoewel biosimilars gelijkwaardig zijn aan hun referentiegeneesmiddel, reageren sommige patiënten anders op een biosimilar. Dit blijkt uit een analyse van meldingen bij het Meldpunt Medicijnen. Apotheker Marjorie Nelissen van het Instituut Verantwoord Medicijngebruik (IVM) licht de analyse toe.
De afgelopen jaren zijn er steeds meer biosimilars op de markt gekomen. Deze middelen zijn meestal goedkoper dan het referentiemiddel, de originele biological waarvan het patent is verlopen. Uit een rapport van enkele jaren geleden, waaraan onder meer het IVM meewerkte, bleek dat overstappen naar biosimilars een gigantische kostenbesparing opleverde. Van 2015 tot 2022 liepen de besparingen op tot bijna 800 miljoen euro per jaar. Dit werd geëvalueerd aan de hand van biosimilars van vijf veelgebruikte biologicals: adalimumab, etanercept, infliximab, rituximab en trastuzumab. Biosimilars zijn door het EMA getest op gelijkwaardigheid aan hun referentiemiddel als het gaat om werkzaamheid, veiligheid en immunogeniciteit. In principe zou de overstap van een referentiegeneesmiddel naar een biosimilar dus probleemloos moeten verlopen.

“Mensen hadden het gevoel dat de biosimilar van insuline minder goed werkte”
Apotheker Marjorie Nelissen
Toedieningsvorm
Toch zijn er patiënten bij wie deze overstap niet vlekkeloos verloopt, vertelt Nelissen. “Dat blijkt uit een analyse van 112 patiëntervaringen die tussen 2016 en 2024 binnenkwamen bij het Meldpunt Medicijnen. Vaak houden de klachten verband met verschillen in injectievolume of het toedieningssysteem. Dat zie je bijvoorbeeld bij de meldingen over adalimumab, die vooral pijn bij toediening betroffen. Dit werd veroorzaakt door een verschil in injectievolume tussen de biosimilar en het referentiegeneesmiddel. Nu de biosimilar een vergelijkbaar volume en een vergelijkbare samenstelling heeft, zijn er geen meldingen meer. Bij insuline zie je dat de meldingen vooral te maken hebben met de toedieningsvorm. Mensen hadden het gevoel dat de biosimilar van insuline minder goed werkte, dat ze meer moesten spuiten en dat ze hun diabetes minder goed onder controle hadden. Dit houdt verband met lucht in de pen van de biosimilar, waardoor verlies van insulinevolume optreedt.”
Nocebo-effect
Bij de bovengenoemde klachten als gevolg van de overstap was meestal een duidelijke oorzaak aan te wijzen. Maar ook als er geen aanwijsbare oorzaak is, kunnen patiënten na een overstap op een biosimilar negatieve verschillen ervaren. Het idee dat ze naar een goedkoper middel overgaan, kan patiënten de gedachte geven dat het minder goed werkt. Nelissen beaamt dit zogeheten ‘nocebo’-effect. “Het is bekend dat een nocebo-effect kan optreden bij een wissel van medicatie. De onderzoeksgroep van wijlen Andrea Evers ( Universiteit Leiden) gaat onderzoek doen naar het nocebo-effect bij de overstap naar biosimilars.”
“Voor patiënten is subcutane toediening veel prettiger dan intraveneuze toediening”
Evergreening
Patiënten kunnen weerstand bieden bij de overstap naar een biosimilar, niet alleen doordat ze bijwerkingen of een verminderde werking ervaren of menen te ervaren, maar ook door de praktische nadelen die dit voor hen kan meebrengen. “Zo gebeurt het dat fabrikanten kort voordat het patent op een intraveneus toegediende biological verloopt een subcutane toedieningsvorm op de markt brengen. Dit is een strategie van fabrikanten om concurrentie door biosimilars te belemmeren, ook wel ‘evergreening’ genoemd. Voor patiënten is subcutane toediening veel prettiger dan intraveneuze toediening, want daarvoor hoeven ze niet naar het ziekenhuis en kunnen ze hun injectie thuis zelf zetten of toegediend krijgen. Terwijl ze net gewend zijn aan het gemak van subcutane toediening, krijgen ze in het ziekenhuis te horen dat ze moeten overstappen op een biosimilar die net op de markt is gekomen, maar dan als intraveneuze toediening. Voor patiënten is het niet prettig dat ze dan weer naar het ziekenhuis moeten om een aantal uren aan het infuus te liggen.”
Natalizumab
Wisseling van een biological kan nog meer praktische problemen met zich meebrengen. Nelissen illustreert dit met het voorbeeld van natalizumab, gebruikt bij MS. “Dit middel geeft een verhoogd risico op progressieve multifocale leuko-encefalopathie (PML) door het JC-virus. PML is een zeldzame infectie van de hersenen die kan leiden tot ernstige invaliditeit of overlijden. Iemand die drager is van het JC-virus heeft een verhoogd risico op PML bij gebruik van natalizumab. Daarom leverde de fabrikant van het referentiemiddel er een virustest bij. De fabrikant van de biosimilar leverde er ook een JC-virustest bij, maar die test bleek veel vaker een foutpositieve uitslag te geven dan de test die de fabrikant van het referentiegeneesmiddel meeleverde. Dat geeft veel onrust bij patiënten en behandelaren.”
“Zorgverleners wil ik oproepen om alert te blijven op klachten”
Alert blijven
Ondanks de meldingen bij het Meldpunt Medicijnen na een overstap op een biosimilar en de praktische problemen die hiermee samen kunnen hangen, is het algemene beeld van biosimilars absoluut positief, stelt Nelissen. “Biosimilars leveren een enorme kostenbesparing op. De wissel naar biosimilars zal steeds makkelijker gaan, omdat ziekenhuizen steeds meer ervaring krijgen. Verder spelen eventuele problemen vooral bij mensen die overstappen van een referentiegeneesmiddel naar een biosimilar of omgekeerd. Patiënten die starten met een behandeling en direct een biosimilar krijgen, hebben uiteraard geen klachten door een wisseling. Zorgverleners wil ik oproepen om alert te blijven op klachten en hun patiënten te stimuleren om eventuele klachten te melden bij het Meldpunt Medicijnen.”
Marc de Leeuw
