Dr. Van Dorp: ‘Blijf met je maatschap ook sociale dingen doen náást het werk’

mm
Gerben Stolk
Redactioneel,
30 april 2021

Hoe blijft de maatschap sterk en homogeen? Dr. Wim van Dorp, dertig jaar deel uitmakend van zo’n samenwerkingsverband, geeft een aantal tips. De internist-nefroloog nam eind 2020 afscheid van het Spaarne Gasthuis. Bij zijn terugblik mag ook een anekdote uit zijn privéleven niet ontbreken: de man die vele transplantatiepatiënten begeleidde, stond zelf dertien jaar geleden een nier af aan zijn echtgenote.

Vele artsen zullen het herkennen: maatschappen hebben in de loop der jaren een steeds omvangrijker karakter gekregen, vooral als gevolg van fusies tussen ziekenhuizen. Neem dr. Wim van Dorp. “Toen ik in 1990 als internist-nefroloog begon in een voorganger van het Spaarne Gasthuis, hadden we een maatschap van vijf internisten”, vertelt hij. “We lunchten dagelijks gezamenlijk en praatten elkaar ook bij over de privésituatie. Als het bijvoorbeeld bij iemand thuis wat minder soepel draaide, wist je dat en dacht je: die maat moet even worden ontzien, ik neem zijn dienst over.”

Internist-nefroloog dr. Wim van Dorp

Wrevel voorkómen

“Toen ik op mijn 65e met pensioen ging, was onze maatschap zes keer zo groot”, vervolgt hij. “Dat had niet alleen te maken met ziekenhuisfusies in de afgelopen decennia, maar ook met onze keuze voor een brede maatschap: interne geneeskunde, MDL, chirurgie en oncologie. Die groei en veelzijdigheid heeft voordelen, je kunt bijvoorbeeld veel leren van elkaar, maar een grote maatschap behelst ook het risico dat de samenhang vermindert. Daardoor zou je bijvoorbeeld niet kunnen weten dat een collega thuis problemen heeft, waardoor wrevel ontstaat omdat hij of zij regelmatig eerder stopt met werken. Wij hebben de cohesie weten te behouden omdat we ons realiseerden dat het een punt van aandacht was.”

“Ga minimaal één keer gezamenlijk iets doen, zoals dineren of elkaar bijpraten tijdens een heidag”

Goede sfeer

Het belangrijkst binnen een maatschap, hoe groot of klein ook, is een goede sfeer, stelt Van Dorp. “Blijf daarom sociale dingen doen náást het werk. Ga minimaal één keer gezamenlijk iets doen, zoals dineren of elkaar bijpraten tijdens een heidag. In de tien jaar dat ik maatschap-voorzitter was, hield ik hieraan vast. Het had mijn voorkeur dat ook de partners van de collega’s van de partij waren. Dan konden bijvoorbeeld de partners kennismaken met de nieuwe medisch specialisten.”

Nuttig

Belangrijk voor de kwaliteit van een maatschap is dat een aantal leden ook elders actief is. Van Dorp: “Denk aan commissiewerk binnen en buiten het ziekenhuis, denk ook aan vertegenwoordiging in de Medische Staf van het ziekenhuis. Ik ben een tijd stafvoorzitter geweest. Je leert er veel: je bent als een van de eersten op de hoogte van nieuwe plannen en ontwikkelingen. Die kennis is nuttig voor je eigen maatschap.”

Inzichten meenemen

In het verlengde hiervan noemt Van Dorp affiniteit van maatschap-leden met de activiteiten van een universitair medisch centrum. “Ik heb dat ook bij mezelf gezien. Ik was – en ben nog steeds – op parttimebasis actief binnen de niertransplantatieafdeling van het LUMC. Ik beleef daar niet alleen zelf veel plezier aan, je neemt soms vanuit een UMC ook inzichten mee naar de afdeling in je eigen ziekenhuis. Zo van: hé, dat zou misschien ook een optie kunnen zijn voor ons, dat moet ik eens bespreken met de maatschap-leden. Mijn advies is dan ook dat het goed is altijd een aantal van je eigen mensen te hebben rondlopen in een UMC.”

“Naar mijn mening is het goed voor de dynamiek en continuïteit binnen een ziekenhuis als minstens de helft bestaat uit vrijgevestigde artsen”

Continuïteit

Wat betreft de gehéle medische staf van een ziekenhuis: Van Dorp pleit ervoor dat minstens de helft bestaat uit vrijgevestigde artsen. “Naar mijn mening is dat goed voor de dynamiek en continuïteit binnen een ziekenhuis; je bent vrijer om je mening te geven. Specialisten werken vaak decennialang in het ziekenhuis en kennen daardoor de gang van zaken beter; ze weten bijvoorbeeld wat in het verleden is afgesproken met de zorgverzekeraars.” Over continuïteit gesproken: Van Dorp is er voorstander van dat maatschap-leden tot hun pensionering voltijds blijven werken. “Als je na je zestigste afbouwt van vijf naar vier en soms drie werkdagen per week, bestaat de kans dat je bijvoorbeeld besprekingen of bij- en nascholingen gaat missen. Als je niet uitkijkt, is je kennis niet meer up to date. Ik zou als maatschap dan ook niet stimuleren dat oudere specialisten minder vaak in het ziekenhuis zijn. Zelf ben ik tot het eind vijf dagen per week blijven werken.”

“Ik heb regelmatig in mijn pyjama naar foto’s en uitslagen zitten turen die een collega had doorgestuurd vanuit het ziekenhuis”

Zorgen maken

Van Dorp bespeurde bij zichzelf wel een verandering in de laatste jaren. “Ik merkte dat ik me meer zorgen maakte om patiënten. Als ik bijvoorbeeld ’s avonds thuis werd gebeld door de dienstdoende arts-assistent in het ziekenhuis, begon ik te piekeren nadat we ons gesprek hadden beëindigd. Als ervaren arts weet je wat er allemaal mis kan gaan. Ik hoor hetzelfde van collega’s van mijn generatie. Blijkbaar is dat een soort natuurlijke ontwikkeling in de loopbaan van een arts: in de eerste jaren ben je nog wat onzeker, dan breken twee decennia aan waarin je denkt Kom maar op, we kunnen alles aan, en in de laatste fase vraag je je af of alles wel goed zal gaan met de patiënt.” Met een glimlach: “Ik heb regelmatig in mijn pyjama naar foto’s en uitslagen zitten turen die een collega had doorgestuurd vanuit het ziekenhuis.”

Nier afgestaan

Als internist-nefroloog heeft Van Dorp in de loop vele patiënten gezien die een behandeling hadden ondergaan in een niertransplantatiecentrum. Dit medische aandachtsgebied bereikte op een gegeven moment ook zijn privéleven. “Ik heb mijn huidige echtgenote leren kennen tijdens een bijeenkomst van de Nierstichting, waar zij werkzaam is als adviseur. Emily heeft zelf een erfelijke nierziekte. Toen dialyse voor haar dreigde, heb ik in 2008 een nier afgestaan. Daarna heeft ze nauwelijks problemen met haar nierfunctie gehad.”

“Toen de receptioniste op mijn aandringen nogmaals poolshoogte nam, bleek ze in shock te liggen”

In shock

Een donororgaan maakt de ontvanger wel extra kwetsbaar voor infecties. Van Dorps partner ondervond dat zelf. “Een paar jaar geleden was Emily voor haar werk in Glasgow; ze reist veel”, zegt hij. “We hebben de gewoonte dan ’s avonds met elkaar te FaceTimen. Deze keer kreeg ik haar eerst niet te pakken. Na meerdere pogingen lukt het wel, maar ze klonk totaal onsamenhangend. Ik ben moe, ik wil slapen, was het enige wat ze zei. Ik besefte dat er iets niet in orde was en dat hulp moest worden ingeroepen. Ik wist dat ze logeerde in een Novotel in Glasgow. Op internet zocht ik foto’s van alle Novotels in Glasgow en vroeg of ze er een van herkende. Dat lukte gelukkig nog. Vervolgens heb ik de receptie van het hotel gebeld met het verzoek naar mijn vrouw te gaan kijken. Bij de eerste keer zei Emily nog tegen de receptioniste dat het goed met haar ging, maar toen op mijn aandringen nogmaals poolshoogte werd genomen, bleek ze in shock te liggen. Met gillende sirenes is ze naar een ziekenhuis gebracht. De oorzaak? Een salmonella-infectie. Gelukkig is ze helemaal hersteld.”

, , ,
Deel dit artikel