Log in om uw persoonlijke bookmarks op te kunnen slaan.
Leptomeningeale metastasen mogen systemische therapie bij NSCLC niet uitsluiten
Systemische behandelingen kunnen de overleving van patiënten met niet-kleincellige longkanker (NSCLC) en uitzaaiingen in de hersenvliezen op het moment van de diagnose substantieel verbeteren. Dit concludeert arts-onderzoeker Jarno Huijs van het Research Institute for Oncology (GROW) van de Maastricht University op basis van retrospectief cohortonderzoek. “Leptomeningeale metastasen mogen niet langer automatisch een reden zijn om af te zien van systemische therapie.”
Leptomeningeale metastasen ontstaan wanneer tumorcellen zich verspreiden naar de hersenvliezen (leptomeningen) of het hersenvocht. “Dit gebeurt meestal via de bloedbaan of via doorgroei vanuit bestaande hersenmetastasen”, legt Huijs uit. “Uitzaaiingen naar de hersenvliezen zijn relatief zeldzaam en treden op bij ongeveer 3% van de patiënten met NSCLC gedurende het ziektebeloop. Onder andere een jongere leeftijd, een uitgebreide tumorlast en de aanwezigheid van bepaalde mutaties (EGFR, ALK en ROS1) en hersenmetastasen zijn risicofactoren voor het ontwikkelen van leptomeningeale metastasen bij NSCLC.”

“Het therapeutische landschap van NSCLC is de afgelopen 10 jaar sterk veranderd”
Arts-onderzoeker Jarno Huijs
Sterk veranderd
Van oudsher hebben patiënten met NSCLC en leptomeningeale metastasen een zeer slechte prognose, weet Huijs. “Vroeger bedroeg de mediane overleving van deze patiënten 2-4 maanden bij actieve behandeling en slechts 4-6 weken als zij alleen maximaal ondersteunende zorg (‘best supportive care’) kregen. Maar het therapeutische landschap van NSCLC is de afgelopen 10 jaar sterk veranderd door de opkomst van (chemo)immunotherapie en doelgerichte therapieën, zoals tyrosinekinaseremmers (TKI’s), die goed inwerken op het centrale zenuwstelsel bij patiënten met een ‘behandelbare’ mutatie.”
“Er is vaak terughoudendheid om patiënten met leptomeningeale metastasen systemische therapie te geven”
Uitgesloten
Hoewel deze systemische therapieën tegenwoordig deel uitmaken van de standaardzorg voor patiënten met NSCLC, is hun rol bij patiënten met leptomeningeale metastasen veel minder duidelijk. “Helaas worden patiënten met leptomeningeale metastasen in de meeste klinische studies uitgesloten van deelname”, licht Huijs toe. “Of zij vertegenwoordigen slechts een kleine, geselecteerde subgroep met een goede fysieke conditie en zonder neurologische symptomen. Hierdoor is het onderliggende bewijs voor de toepassing van systemische therapieën in deze patiëntengroep beperkt. In de praktijk is er dan ook vaak terughoudendheid om patiënten met leptomeningeale metastasen systemische therapie te geven.”
Meer inzicht
Om meer inzicht te krijgen in de behandelpatronen en de overleving van Nederlandse patiënten met NSCLC en leptomeningeale metastasen, verrichtten Huijs en zijn collega’s een retrospectief cohortonderzoek, met als ultieme doel om aanbevelingen te kunnen doen voor de dagelijkse praktijk. “Hiertoe hebben we gegevens verzameld en geanalyseerd van alle volwassen patiënten met NSCLC en leptomeningeale metastasen op het moment van de diagnose die tussen 2017 en 2023 waren opgenomen in de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). In die periode kwamen de checkpointremmers en nieuwegeneratie-TKI’s op de markt.”
“Die traditionele gedachte is achterhaald, blijkt nu”
Belangrijkste bevindingen
In totaal identificeerden de onderzoekers 259 patiënten met NSCLC en leptomeningeale metastasen (53% vrouw, 45% jonger dan 65 jaar) in de NKR. Huijs: “Opvallend was dat ongeveer de helft van de patiënten alleen maximaal ondersteunende zorg kreeg, en dus geen systemische therapie. Deze groep had een erg slechte prognose, met een mediane algehele overleving van 1,3 maanden. Bij de overige patiënten bestond de eerstelijnsbehandeling uit alleen chemotherapie, (chemo)immunotherapie of doelgerichte therapie. Zij hadden een aanzienlijk betere prognose, met een mediane algehele overleving van respectievelijk 8,0, 8,3 en 20,5 maanden.” Verder bleek dat een kleiner aantal organen met uitzaaiingen een prognostisch gunstig teken is en dat bestraling van de hersenen mogelijk overlevingswinst oplevert.
Achterhaald
Volgens Huijs laten de onderzoeksresultaten overduidelijk zien dat leptomeningeale metastasen niet langer automatisch een reden mogen zijn om af te zien van systemische therapie bij onbehandelde patiënten met NSCLC en leptomeningeale metastasen. “Die traditionele gedachte is achterhaald, blijkt nu. Bij patiënten met een ‘behandelbare’ mutatie blijkt doelgerichte therapie juist uiterst effectief te zijn, ook als zij een slechte fysieke conditie hebben. Ook patiënten zonder dergelijke mutatie kunnen baat hebben bij systemische therapie, zoals chemo- of immunotherapie, mits zij hiervoor fit genoeg zijn. Onze bevindingen onderstrepen de noodzaak van snelle en uitgebreide moleculaire diagnostiek, ongeacht de fysieke conditie van de patiënt. Daarnaast is het belangrijk om bij patiënten met NSCLC laagdrempelig MRI-onderzoek van de hersenen uit te voeren, zodat leptomeningeale metastasen zo vroeg mogelijk kunnen worden opgespoord.”
“Nog te vaak worden patiënten met leptomeningeale metastasen bewust buiten klinische studies gelaten”
Hoopvol
Huijs is hoopvol over nieuwe behandelingen en behandelstrategieën voor patiënten met NSCLC en leptomeningeale metastasen. “Denk aan combinaties van doelgerichte therapie en chemotherapie, TKI’s met een nog sterkere inwerking op het centrale zenuwstelsel, bispecifieke antilichamen, intrathecale immunotherapie en gerichte bestraling van de craniospinale as. Maar als we zeker willen weten of deze behandelingen en behandelstrategieën werkzaam en veilig zijn bij patiënten met NSCLC en leptomeningeale metastasen, dan mag de aanwezigheid van uitzaaiingen in de hersenvliezen geen exclusiecriterium voor studiedeelname meer zijn. Nog te vaak worden deze patiënten bewust buiten klinische studies gelaten, waardoor voor hen cruciale informatie ontbreekt.”
Tot slot benadrukt Huijs het belang van fundamenteel onderzoek naar de pathofysiologie van leptomeningeale metastasen. “Zo leren we beter begrijpen waarom sommige patiënten leptomeningeale metastasen ontwikkelen en anderen niet. Dat kan hopelijk leiden tot betere preventie en gerichtere behandelingen.”
Referentie: Huijs JWJ, et al. Overall survival in patients with non-small cell lung cancer and leptomeningeal metastases: data from the Dutch cancer Registry. Lung Cancer. 2025;209:108806
Niels Elbert
