Meer inzicht in schizofrenie dankzij syndroom als genetisch model

Koen Scheerders
Redactioneel,
24 februari 2021

Patiënten met het 22q11.2-deletie-syndroom (22q11DS) hebben een verhoogde kans op het ontwikkelen van schizofrenie. Daardoor kunnen zij bijdragen aan de kennis over dit ziektebeeld. Dat is een van de conclusies van recent promotieonderzoek van psycholoog Ania Fiksinski, onderzoeker bij het UMC Utrecht Brain Center.

Bij mensen met het 22q11.2-deletie-syndroom (22q11DS) ontbreekt een deel van het genetisch materiaal op chromosoom 22. Het syndroom is relatief veelvoorkomend: één op de 2000 tot 4000 kinderen wordt ermee geboren. 22q11DS is geassocieerd met niveau van cognitief functioneren en neuropsychiatrische aandoeningen, zoals schizofrenie. Dit laatste ziektebeeld komt naar schatting voor bij 20 tot 25 procent van de patiënten met 22q11DS. Toch blijft het onmogelijk om te voorspellen welke patiënt met het syndroom schizofrenie zal ontwikkelen.

(Foto: Pixabay)

Klinische markers

Psycholoog Ania Fiksinski deed tijdens haar promotietraject onderzoek naar de mechanismen die neuropsychiatrische fenotypes doen ontstaan bij 22q11DS. Dat deden zij en haar collega’s met behulp van een prospectief cohort van 89 kinderen en adolescenten met het syndroom. Uit de resultaten van deze studie blijkt dat kinderen met een autismespectrumstoornis (ASS) en 22q11DS geen grotere kans hebben om een psychotische stoornis te ontwikkelen dan kinderen zonder ASS. Dat suggereert dat ASS niet kan worden gezien als klinische marker die wijst op een verhoogd risico op schizofrenie bij mensen met 22q11DS.

Visueel geheugen

Uit gegevens van een ander cohort van 99 22q11DS-patiënten uit een andere levensfase blee

 

Login om verder te lezen

Nog geen account? Meld u hier gratis aan.

, ,
Deel dit artikel