Nederland op koers om diverse hiv-doelstellingen Nationaal Actieplan te halen

mm
redactie
Redactioneel,
12 november 2019

Het aantal hiv-diagnoses is in de afgelopen drie jaar gedaald van 941 in 2015 tot 664 in 2018. Dat blijkt uit de nieuwste cijfers van Stichting HIV Monitoring (SHM). Nederland is hiermee goed op koers om het jaarlijks aantal nieuwe hiv-diagnoses tegen 2022 te halveren, één van de doelstellingen uit het Nationaal Actieplan soa, hiv en seksuele gezondheid.

In 2018 was 92% van het geschatte aantal mensen dat in Nederland met hiv leeft op de hoogte van hun hiv-positieve status, 93% van hen werd behandeld en bij 96% daarvan was het virus in het bloed niet langer aantoonbaar (“92-93-96”). Dit staat in het nieuwste hiv-monitoringrapport dat vandaag door SHM is gepubliceerd. Nederland is hiermee op koers om een tweede ambitieuze doelstelling van het Nationaal Actieplan te bereiken, namelijk “95-95-95” in 2022, nadat eerder al de mondiale doelstelling van UNAIDS (“90-90-90” in 2020) was behaald.

(Foto: Pixabay)

Toch noodzaak tot verbetering

Het rapport laat tevens een daling zien in het jaarlijks aantal nieuwe hiv-infecties, waarvan het merendeel nog steeds bij mannen die seks hebben met mannen (MSM) worden gevonden.

Ondanks dit positieve nieuws is er noodzaak tot verbetering. Het rapport laat zien dat de mate waarin wij de 95-95-95-doelstellingen genaderd zijn verschilt zowel binnen als tussen groepen, bijvoorbeeld jongeren en mensen met een migratieachtergrond. Over het algemeen blijkt dat MSM na het krijgen van een hiv-infectie eerder worden gediagnosticeerd. Niettemin wordt bij ongeveer een op de drie MSM de diagnose pas gesteld in een laat stadium van infectie, wanneer het immuunsysteem reeds is aangetast. Dit suggereert dat MSM en andere mensen die risico lopen op hiv niet allemaal in gelijke mate toegang hebben tot hiv-zorg en preventie, waaronder mogelijk ook tot pre-expositie profylaxe (PrEP). Een gedetailleerder inzicht in de verschillen tussen, en behoeften van, deze mensen is cruciaal om te zorgen voor tijdige en op maat gemaakte toegang tot testen, preventie en zorg voor iedereen.

“Het is bijzonder zorgwekkend dat bij een aanhoudend substantieel deel van de mannen die seks hebben met mannen de hiv-infectie pas laat wordt ontdekt”

Professor Peter Reiss, directeur van Stichting HIV Monitoring: ‘In een tijd waarin Nederland streeft naar nul nieuwe hiv-infecties, waarvan het merendeel blijft optreden bij MSM, is het bijzonder zorgwekkend dat bij een aanhoudend substantieel deel van deze MSM de hiv-infectie pas laat wordt ontdekt. Het benadrukt hoe heterogeen de gemeenschappen zijn die we ten dienste staan, inclusief die van MSM, en onderstreept de noodzaak voor interventies die toenemend moeten worden afgestemd op de behoeften binnen elke gemeenschap.’


Aanvullende belangrijke bevindingen uit het rapport
  • Naar schatting leefden er in Nederland in 2018 ongeveer 23.300 mensen met hiv, van wie ongeveer 1.900 mensen nog niet op de hoogte waren van hun hiv-infectie; 21.360 (92%) mensen waren dat wel en waren op enig moment in een hiv-behandelcentrum in zorg geweest. Eind 2018 waren 20.189 van hen nog steeds in zorg.
  • Van de 21.360 mensen die ooit in zorg zijn geweest, werden 19.913 mensen (93%) behandeld met combinatie antiretrovirale therapie (cART) en bij 19.046 personen van hen (96%) was geen virus meer aantoonbaar in het bloed.
  • Er blijven echter verschillen bestaan ​​in het aandeel mensen met niet aantoonbare hiv in hun bloed, met lagere percentages in bijvoorbeeld mensen uit het Caribisch gebied (90%) en Midden-Europa (89%) en bij jongeren (81% in de leeftijd van 18-24 jaar en 90% in de leeftijd van 25-34 jaar).
  • Van de mensen bij wie in 2018 hiv werd vastgesteld, was twee derde mannen die seks hebben met mannen. De andere mensen waren voor het merendeel mannen en vrouwen die door heteroseksueel contact een hiv-infectie hadden opgelopen.
  • Bij ongeveer 40% van alle in 2018 vastgestelde hiv-diagnoses ging het om mensen die niet in Nederland zijn geboren.
  • Een kwart van de mensen bij wie in 2018 hiv werd vastgesteld, was op dat moment 50 jaar of ouder.
  • Van de mensen die in 2018 in zorg kwamen in een hiv-behandelcentrum, was vrijwel iedereen binnen 6 maanden begonnen met behandeling (cART). Van degenen die in 2018 werden gediagnosticeerd, was ongeveer twee derde zelfs binnen een maand na diagnose met behandeling begonnen.
  • Mensen met hiv die tussen 2013 en 2018 zijn begonnen met behandeling, hadden in 94% van de gevallen binnen 6 maanden na begin van de behandeling geen aantoonbaar virus meer in het bloed.
  • Het aantal mensen dat in 2018 in Nederland aan aids is overleden ligt rond de 20. Hiermee is het doel van nul sterfgevallen als gevolg van aids tegen 2022 zoals geformuleerd in het Nationaal Actieplan nog niet bereikt. Bij aids-gerelateerde sterfte gaat het vrijwel altijd om mensen die te laat in zorg komen, nog niet weten dat zij hiv hadden en een reeds sterk verzwakt afweersysteem hebben. Verdere verbeteringen in het vroeg diagnosticeren van de hiv-infectie zijn daarom nodig om het doel van het Actieplan te bereiken.
  • Van de mensen die in 2018 in zorg waren in een hiv-behandelcentrum, was de helft (50%) ouder dan 50 jaar en bijna 1 op de 5 (19%) ouder dan 60 jaar. Veel van hen hebben toenemend last van andere aandoeningen die gerelateerd zijn aan het ouder worden. Parallel hieraan verschuiven de overlijdensoorzaken onder hiv-positieve personen nu richting hart- en vaatziekten, niet aan hiv/aids gerelateerde vormen van kanker en chronische leverziekte.
  • Van de mensen die leven met hiv heeft 8% ook een hepatitis C-virus (HCV) infectie. Van hen is het merendeel nu succesvol behandeld met beschikbare combinaties van direct-werkende antivirale middelen (DAA’s) tegen HCV. Van degenen die deze behandeling hebben voltooid en lang genoeg gevolgd zijn om het effect van de behandeling vast te kunnen stellen, was 97% genezen van hun HCV.
  • Succesvolle behandeling van HCV kan ook verdere HCV-transmissie voorkomen, zoals een daling van de incidentie van nieuw verworven HCV-infecties en herinfectie doet vermoeden. Nieuw verworven primaire infecties en herinfecties na succesvolle behandeling worden echter nog steeds gemeld. Dit geeft aan dat overdracht van HCV blijft plaatsvinden en dat aanvullende interventies nodig zijn om deze nieuw verworven HCV-infecties en herinfecties te verminderen.
  • Het risico op chronische hepatitis B-infectie (HBV) bij mensen met die leven met hiv, is in de loop van de tijd afgenomen als gevolg van een verhoogde vaccinatiegraad en het profylactische effect van tenofovir (TDF en TAF) wanneer dit onderdeel uitmaakt van de hiv-behandeling. Naar schatting blijft ongeveer 20% van de hiv-positieve personen die ooit door SHM zijn geregistreerd, het risico lopen om HBV te krijgen. Dit illustreert het belang van het blijven promoten van vaccinatie tegen HBV, met name onder degenen die geen TDF- of TAF-bevattende hiv-behandeling krijgen.
  • Vanwege het hoge aantal succesvolle behandelingen bij vrouwen die leven met hiv en gestandaardiseerde vrijwillige hiv-screening voor zwangere vrouwen tijdens het eerste trimester van de zwangerschap, komt het in Nederland nog slecht sporadisch voor dat een moeder hiv op haar kind overdraagt.
  • De resultaten van kinderen met hiv die worden behandeld in een hiv-behandelcentrum zijn over het algemeen gunstig: 96% van de kinderen onder de 18 jaar heeft geen aantoonbaar virus in hun bloed. Wanneer zij echter van pediatrische zorg naar volwassenzorg gaan, beginnen ze een periode in hun leven waarin langdurige therapietrouw een grotere uitdaging kan worden, zoals wordt aangetoond door een groter aandeel van deze jonge volwassenen (ongeveer 30%) met een aantoonbaar niveau van het virus in hun bloed ondanks behandeling.

Bron: Stichting HIV Monitoring
, ,
Deel dit artikel