Onderzoek: Fertiliteit van vrouwen met een ovulatiestoornis

mm
Daniël Dresden
Redactioneel,
3 juli 2020

Vrouwen met een WHO II ovulatiestoornis, de meest voorkomende oorzaak van anovulatie, hebben een grote kans op een kind, zo vond Sanne Braam tijdens haar promotieonderzoek aan de UvA. Daarnaast bevestigde ze de rol van clomifeencitraat als eerstelijnsbehandeling. Ze evalueerde de effectiviteit, veiligheid en kosten van behandelopties, met speciale aandacht voor het voorkomen van ovarieel hyperstimulatie syndroom (OHSS).

In een multicenter cohortonderzoek beoordeelden Braam en collega’s het percentage levend geboren kinderen en het percentage vrouwen dat een tweede- of derdelijnsbehandeling nodig heeft wanneer de initiële behandeling niet slaagt. Het cumulatief percentage levend geboren kinderen was 82%. In deze groep ontstond 20% van de zwangerschappen spontaan, 40% na clomifeencitraat, 13% na behandeling met gonadotrofines, 2% na laparoscopische elektrocoagulatie van de ovaria en 8% na ivf. Subfertiele vrouwen met een WHO II ovulatiestoornis hebben dus een grote kans op een levend geboren kind.

(bron foto pixabay)

Cyclusmonitoring en clomifeencitraat

In een retrospectief cohortonderzoek van 484 anovulatoire vrouwen die een eerste clomifeencitraat-cyclus ondergingen, onderzochten Braam en collega’s de waarde van cyclusmonitoring bij ovulatie-inductie met clomifeencitraat met behulp van echografie. Bij 81,2% zagen ze monofolliculaire groei, wat bij 16,8% resulteerde in een doorgaande eenlingzwangerschap. 

In het scenario dat alle cycli met echografie worden gemonitord met annulering van de cycli met multifolliculaire groei, zouden vier meerlingzwangerschappen voorkomen zijn ten koste van 2

 

Login om verder te lezen

Nog geen account? Meld u hier gratis aan.

, , , ,
Deel dit artikel