Longchirurg i.o. Van Gool: ‘Snel zichtbaar of behandeling longkanker effect heeft met PET/CT-scan’

mm
Frank van Wijck
Redactioneel,
21 november 2019

Matthijs van Gool (nu in opleiding tot long- en traumachirurg in het MUMC+ en Zuyderland MC) promoveerde recent op fase II-onderzoek naar de toepassing van erlotinib bij de behandeling van niet-kleincellige longkanker in een vroeg stadium. Zijn belangrijkste bevindingen: al vroeg na het starten van de voorbehandeling met erlotinib is een PET/CT-scan informatief voor de respons na drie weken, en er is een correlatie tussen de responsevaluatie met een PET/CT-scan en de hoeveelheid necrose in de weggenomen longkwab. 

“Mijn onderzoek startte in 2006, toen de eerste EGFR-tyrosinekinaseremmers (erlotinib, gefitinib) nogal een hype waren”, vertelt Matthijs van Gool. “Het was de begintijd van de targeted therapy, latere middelen als crizotinib en osimertinib moesten nog op de markt komen. Erlotinib was als een van de eerste doelgerichte middelen geregistreerd voor de behandeling van stadium IV niet-kleincellige longkanker in de periode waarin wij patiënten includeerden. De resultaten bij patiënten met stadium IV waren veelbelovend, dus wilden we graag weten of het ook in een vroeg stadium effectief zou kunnen zijn. Ondertussen bleek echter uit een aantal grote studies waarbij EGFR-TKIs zijn vergeleken met chemotherapie, dat het hebben van een mutatie in het EGFR-domein de grootste voorspeller is voor respons op een EGFR-TKI. Dit werd pas duidelijk nadat onze studie was gestart. Mutaties in het EGFR-domein komen bij vijf tot vijftien procent in de westerse bevolking voor. Ook in onze groep patiënten had tien procent zo ‘n mutatie.”

Long- en traumachirurg i.o. Matthijs van Gool

Onverwachte uitkomsten

Hun studie leidde tot opvallende resultaten. Van Gool: “Bij 26 procent van de patiënten was sprake van meer dan vijftig procent necrose in het tumorweefsel, en bij 44 procent toonde de PET/CT-scan verminderde tumoractiviteit.” Met de huidige kennis over de rol van EGFR-mutaties in de effectiviteit van erlotinib een onverwachte uitkomst. “Je zou verwachten dat alleen de tien procent patiënten met een EGFR-mutatie een respons op de behandeling krijg”’, zegt Van Gool. “We moeten voorzichtig zijn met conclusies hieraan te verbinden, maar mogelijk spelen dus meer factoren een rol en dat gegeven wijst de weg naar gericht vervolgonderzoek. Er zou sprake kunnen zijn van een immunologisch bijeffect. Er zijn studies in cellijnmodellen die suggereren dat het remmen van de EGFR met een tyrosinekinase-inhibitor als erlotinib dit effect heeft, maar die hypothese moet nader onderzocht worden.”

“Het is een effectieve manier om snel te kunnen zien of een behandeling aanslaat en of het dus zin heeft om die voort te zetten”

Snel effect behandeling zichtbaar

Voor nu is duidelijk dat de PET/CT-scan een goed hulpmiddel is om het effect van de behandeling met targeted therapy te monitoren. “Vooral in de huidige tijd waarin veel nieuwe targeted therapy-middelen op de markt komen, kan dit helpen om snel het effect van de behandeling te laten zien, vroeg tijdens een behandeling”, zegt hij. “Mensen in onze studie bij wie de scan afname van activiteit in tumorweefsel liet zien, hadden meestal ook afname van vitaal tumorweefsel in de weggenomen longkwab. Al een week na start van de behandeling kan responsmonitoring met behulp van een PET/CT-scan bruikbare resultaten opleveren. Het is een effectieve manier om snel te kunnen zien of een behandeling aanslaat en of het dus zin heeft om die voort te zetten.” 

Inzicht in mogelijkheden

Inmiddels is het veld van de targeted therapy-behandeling van niet-kleincellige longkanker door de komst van nieuwe middelen zoals immunotherapie sterk in ontwikkeling. “Voor erlotinib bleek er in grotere gerandomiseerde onderzoeken geen toepassing als aanvullende therapie na een operatie”, zegt Van Gool. “Maar dit onderzoek heeft ons veel geleerd over de mogelijkheden – en moeilijkheden – van een behandeling voorafgaand aan een operatie.”

, , , , ,
Deel dit artikel