DOQ

Waarom praten over wat écht telt eerder moet beginnen

In de palliatieve fase draait het om wat voor patiënten belangrijk is. In de praktijk gaat het gesprek daar vaak laat over, terwijl de focus op levensverlengend ziektegericht behandelen blijft. In haar promotieonderzoek onderzocht huisarts in opleiding Daisy Ermers hoe besluitvorming bij gevorderde kanker verloopt en waarom keuzevrijheid niet altijd zo wordt ervaren.

De aanleiding voor haar onderzoek was tweeledig. “Ik wist al vrij vroeg dat ik huisarts wilde worden, maar ik had ook een sterke interesse in onderzoek”, vertelt Ermers. Met een achtergrond in biomedische wetenschappen zocht ze een promotietraject dat ze kon combineren met haar klinische ambities. Na gesprekken met onder andere Yvonne Engels, hoogleraar Zingeving in de Gezondheidszorg aan de Radboud Universiteit, raakte ze geïnteresseerd in palliatieve zorg. “Proactieve zorgplanning, het vooruit praten over wensen en doelen, stond toen ik begon met mijn promotieonderzoek nog veel minder op de agenda dan nu”, zegt Ermers. De vraag wanneer palliatieve zorg zou moeten beginnen en hoe dat in de praktijk gebeurt, vormde een belangrijke voedingsbodem voor haar onderzoek.

“Het moet minder gaan over concrete toekomstige keuzes”

Huisarts in opleiding Daisy Ermers

Besluitvorming

Een belangrijk thema in haar proefschrift is besluitvorming: zowel over het hier en nu als over toekomstige zorg. Daarbij onderzocht ze hoe zorgverleners beter kunnen herkennen welke patiënten baat hebben bij palliatieve zorg. Ze keek hiervoor onder meer naar de zogeheten surprise question: “Zou ik verbaasd zijn als deze patiënt binnen een jaar overlijdt?” Deze vraag wordt al langer gebruikt om palliatieve zorgbehoeften te signaleren. Ermers onderzocht een uitbreiding daarvan, de dubbele surprise question, waarbij de arts zich óók afvraagt: “Zou ik verbaasd zijn als deze patiënt over een jaar nog in leven is?”

In de oncologische praktijk leverde dit drie duidelijke patiëntgroepen op: mensen van wie je verwacht dat ze nog lang leven, mensen bij wie overlijden binnen een jaar waarschijnlijk is, en een tussengroep waarin onzekerheid bestaat. “Juist bij deze laatste groep kan deze methode helpen om tijdig stil te staan bij palliatieve zorg”, legt Ermers uit. “We zagen dat bij patiënten die volgens artsen waarschijnlijk binnen een jaar zouden overlijden, ook daadwerkelijk meer palliatieve zorg werd ingezet.”

Waarom praten we zo laat?

Toch blijkt dat gesprekken over wensen en doelen vaak pas heel laat plaatsvinden, soms zelfs pas in de stervensfase. Dat heeft meerdere oorzaken. Prognostische onzekerheid speelt een grote rol: artsen weten niet precies hoe het ziektebeloop zal verlopen. Daarnaast leeft de angst dat zulke gesprekken hoop zouden ontnemen.

Ook de organisatie van zorg draagt daaraan bij. “Zolang patiënten actief behandeld worden in het ziekenhuis, zijn huisartsen vaak meer op afstand”, zegt Ermers. “Dat maakt het lastiger om proactieve zorgplanning op te pakken.” Tegelijkertijd is vooruitdenken ook voor patiënten zelf ingewikkeld. Wat iemand zegt te willen als hij gezond is, kan veranderen zodra de ziekte realiteit wordt. “Daarom denk ik dat het minder moet gaan over concrete toekomstige keuzes en meer over wat iemand belangrijk vindt in het leven”, stelt Ermers. “Als je dat weet, kun je daar later op terugvallen. Ook als iemand het moeilijk vindt om vooruit te kijken.”

“Er ligt een focus op levensverlengende ziektegerichte behandeling”

De illusie van keuze

In interviews en gespreksanalyses zag Ermers dat patiënten vaak aangeven geen keuze te ervaren, terwijl er medisch gezien wel opties zijn. Soms gebeurt ook het omgekeerde: een mogelijke keuze wordt niet benoemd. “Zorgverleners doen dat niet bewust”, benadrukt ze. “Een oncoloog kan bijvoorbeeld besluiten om stoppen met behandelen niet als optie te bespreken, omdat dat niet reëel voelt. Bijvoorbeeld bij een vrouw met jonge kinderen. Invoelbaar, maar het betekent wel dat die optie buiten beeld blijft.”

Daarnaast blijkt uit gesprekken dat de focus sterk ligt op ziekte en levensverlengende ziektegerichte behandeling. “Onze hypothese is dat het balanceren tussen hoop en realiteit – door bijvoorbeeld het gebruik van verzachtende taal – bijdraagt aan het weinig ruimte overlaten voor slecht nieuws, waardoor het medisch perspectief van de oncoloog centraal blijft staan. Dit leidt tot een focus op levensverlengende ziektegerichte behandeling.” Waar komt die gerichtheid op levensverlenging vandaan? Volgens Ermers speelt niet alleen de medische cultuur een rol, maar ook maatschappelijke overtuigingen. “We geloven sterk in de maakbaarheid van het leven én van de dood. Alles wat kan, moet ook.”

Scenariodenken

Als ze één belangrijke stap mag noemen om palliatieve zorg beter te laten aansluiten bij het leven van patiënten, dan is dat bewuster scenariodenken. “Niet alleen bespreken wat een behandeling kan opleveren, maar ook wat het betekent als je ervoor kiest om niet te behandelen. En daarbij expliciet de context en waarden van de patiënt meenemen.”

Lees meer over:


Voor u geselecteerde artikelen

Duurzame leefstijl­verbete­ring: ‘Begin met kleine stappen’

Waarom lukt het ons vaak niet om gezonder te leven, zelfs als we weten wat goed voor ons is? En hoe voorkomen we dat goede voornemens voortijdig stranden? In zijn boek laat psychiater Rogier Hoenders zien hoe zorgverleners hun patiënten én zichzelf op het juiste spoor kunnen zetten.

Een tweede leven voor niet-gebruikte geneesmiddelen

Jaarlijks wordt voor zeker 100 miljoen euro aan ongebruikte medicatie vernietigd. Doodzonde, vindt apotheker Bart van den Bemt. Zijn studies droegen bij aan een wijziging van de Europese wetgeving, waardoor heruitgifte onder voorwaarden mogelijk wordt.

Casus: therapie­resistente hyper­tensie na de bevalling

Een 35-jarige vrouw bezoekt zes weken postpartum de HAP vanwege hoofdpijn en een zelfgemeten bovendruk >200 mmHg. Tijdens de zwangerschap heeft zij ook hypertensie gehad, die ondanks behandeling aanbleef. Wat is uw diagnose?

Holistische benadering in de cardiologie wenselijk

Diagnostiek roept bij patiënten met hartklachten vaak negatieve emoties op. Tom Roovers deed promotieonderzoek naar het nut van mentale ondersteuning en de rol van het autonome zenuwstelsel. Zijn proefschrift is een pleidooi voor een holistische benadering in de cardiologie.

Casus: oude vrouw met gepig­men­teerde huid­afwij­king op de boven­arm

Een 79-jarige vrouw bezoekt de dermatoloog voor beoordeling van een gepigmenteerde huidafwijking op de linker bovenarm. In de kinderjaren is zij ernstig door de zon verbrand. Haar moeder kreeg op 89-jarige leeftijd een melanoom. Wat is uw diagnose?

Het belang van goede ethiek­onder­steuning bij morele twijfels over eutha­nasie­verzoeken

Medisch ethici kunnen artsen helpen om morele stress te verlichten en hen ondersteunen bij een zorgvuldige afweging van complexe euthanasieverzoeken. Soms missen zij echter de competenties om die rol goed in te vullen, stelt medisch ethicus Suzanne Metselaar van Amsterdam UMC.

DRUP-studie laat zien wat off-label doelgerichte thera­pie kan opleveren

Voor patiënten met uitgezaaide kanker zonder reguliere behandelopties kan een specifieke DNA-afwijking soms toch nieuwe kansen bieden, vertelt Karlijn Verkerk. “We hebben inmiddels gezien dat off-labelgebruik echt tot veranderingen in de klinische praktijk kan leiden.”

‘Artsen denken al snel dat een vrouw zich aanstelt’

Monique Steegers ziet dat pijnklachten van vrouwen nog te vaak worden weggewuifd of verkeerd geïnterpreteerd door artsen. Volgens haar leidt dat niet alleen tot vertraagde diagnoses, maar ook tot meer chronische pijn en onnodig leed. “We móeten dit veranderen.”

Carrièresabotage: ‘Het is niet eerlijk en het kan ook jou overkomen’

Jamiu Busari onderzocht het fenomeen carrièresabotage in de medische en academische wereld. Veel respondenten herkenden het direct. Waarom blijft dit soort onrecht vaak onbesproken? “Dit fenomeen raakt ons allemaal.”

Morfine als post­opera­tief alter­natief voor oxycodon: helpt dat eigenlijk?

Apotheker Eward Melis onderzocht of morfine na een operatie veiliger is dan oxycodon als het gaat om langdurig opioïdgebruik, zoals de laatste jaren steeds vaker wordt gesuggereerd. “Ik had dit niet verwacht.”