Log in om uw persoonlijke bookmarks op te kunnen slaan.
Welke RA-patiënten moeten écht naar de polikliniek komen?
Met een nieuw voorspelmodel op basis van negen patiëntvragen en drie klinische kenmerken, hopen arts-onderzoeker Agnes Looijen en collega’s van het Erasmus MC straks beter te kunnen inschatten welke patiënten met reumatoïde artritis écht naar de polikliniek moeten komen. “Het idee is om dit model uiteindelijk als een triagemiddel in te kunnen zetten, waarbij patiënten met rustige ziekte thuis kunnen blijven.”
Patiënten met reumatoïde artritis worden behandeld volgens de treat-to-targetstrategie, vertelt Looijen. “Hiervoor is het belangrijk dat we patiënten regelmatig zien. Helaas groeit het aantal reumatologen niet evenredig mee met het aantal (nieuwe) patiënten dat op de polikliniek wordt beoordeeld. De vraag is dan ook: kunnen we ruimte creëren op onze poliklinieken door alleen díe patiënten te zien bij wie we vermoeden dat ze actieve ziekte hebben en de patiënten met rustige ziekte thuislaten?”

“De externe validatie in het Early Arthritis Cohort in Leiden liet zien dat het model goed standhield”
Arts-onderzoeker Agnes Looijen
Ziekteactiviteit nauwkeurig inschatten
Een mogelijke oplossing is monitoring op afstand met behulp van patiënt-gerapporteerde uitkomstmaten (PROM’s). “Deze vragenlijsten bevatten echter ook items die niet direct samenhangen met de ziekteactiviteit en geven daardoor eerder ruis dan dat ze bijdragen aan een goede voorspelling van de ziekteactiviteit”, aldus Looijen. Daarom ontwikkelden zij en collega’s een voorspelmodel waarmee op basis van drie klinische kenmerken (leeftijd, geslacht en ziekteduur) en negen patiëntvragen uit de PROM-vragenlijsten, de ziekteactiviteit redelijk nauwkeurig kan worden ingeschat, zonder dat de patiënt fysiek gezien hoeft te worden.
Validatie
Het ontwikkelde voorspelmodel werd eerst intern gevalideerd (in twee datasets uit gerandomiseerde studies) en vervolgens extern in een ‘real-world’-cohort. “De externe validatie in het Early Arthritis Cohort in Leiden liet zien dat het model goed standhield”, vertelt Looijen. Daarna werden de sensitiviteit en specificiteit bepaald voor drie illustratieve afkapwaarden. “Voor het eerste afkappunt lag de nadruk op het zo min mogelijk missen van patiënten met actieve ziekte, wat resulteerde in een sensitiviteit van 91% en een specificiteit van 51%. Bij het tweede afkappunt was het doel om zoveel mogelijk patiënten met rustige ziekte thuis te kunnen laten; dit gaf een sensitiviteit van 34% en een specificiteit van 95%. Een afkappunt waarbij we keken naar een balans tussen deze twee uitersten, resulteerde in een sensitiviteit van 66% en een specificiteit van 81%.”
“Uiteindelijk zou het model kunnen functioneren als triagemiddel”
Praktische impact
In het ‘real-world’-cohort is vervolgens ook onderzocht wat de praktische impact van het model zou kunnen zijn. Looijen: “In dit cohort had 36% van de RA-patiënten actieve ziekte, en 64% rustige ziekte. Door het afkappunt te gebruiken waarbij we zo min mogelijk patiënten met actieve ziekte missen, kan ons model het aantal poliklinische bezoeken met ongeveer een derde verminderen. Hierbij werd slechts 9% van de patiënten met actieve ziekte gemist.”
Ondanks deze resultaten vindt Looijen het model nog niet klaar voor implementatie in de dagelijkse praktijk. “We willen eerst dat patiënten het model thuis invullen en vervolgens naar de polikliniek komen, zodat we kunnen beoordelen hoe goed de voorspelling overeenkomt met de daadwerkelijke ziekteactiviteit. Uiteindelijk zou het model kunnen functioneren als triagemiddel, bijvoorbeeld door patiënten eens per drie maanden een vragenlijst in te laten vullen. Op basis daarvan kunnen we dan inschatten of een polikliniekbezoek nodig is.”
“Er moet altijd een opt-inmogelijkheid zijn voor patiënten die toch graag gezien willen worden”
Opt-inmogelijkheid
Een aandachtspunt, ook bij dit model, blijft de bekende discordantie tussen de inflammatoire componenten van ziekteactiviteit en hoe patiënten zelf hun ziekteactiviteit beoordelen. “Patiënten met gezwollen gewrichten en verhoogde ontstekingswaarden die aangeven dat het goed gaat, worden door ons model geclassificeerd als patiënten met rustige ziekte, en vice versa”, legt Looijen uit. Hoe dit het best ondervangen kan worden, vraagt volgens haar nog verder onderzoek.
Tegelijkertijd ziet zij die discordantie niet uitsluitend als een probleem. “Ook patiënten die aangeven dat het slecht gaat, terwijl de objectieve parameters weinig reden tot zorg geven, verdienen aandacht en mogelijk andere vormen van ondersteuning. Daarom moet er wat mij betreft altijd een opt-inmogelijkheid zijn voor patiënten die toch graag gezien willen worden. Zij hebben soms vragen en zorgen die niet direct samenhangen met hun ziekteactiviteit. En daar moet zeker ruimte voor blijven.”
Referentie: Looijen AEM, et al. Development and validation of a model to predict the disease activity score: towards a remote treat-to-target approach for rheumatoid arthritis. Ann Rheum Dis. 2026;85:620-9.
Bianca Hagenaars
