DOQ

Dr. Heineman: ‘Veel ruimte voor verbetering in stadiëring van longkankerpatiënten’

De overeenkomst tussen pathologisch en klinisch stadium bij niet-kleincellig longkanker is in Nederland rond de 53 procent, concludeert longchirurg dr. David Heineman in zijn recente promotieonderzoek. “Een teleurstellende, maar niet echt verrassende conclusie.”

Longchirurg dr. David Heineman concludeert in zijn proefschrift Clinical staging of non-small cell lung cancer, waarop hij recent promoveerde aan de Vrije Universiteit van Amsterdam, dat de overeenkomst tussen pathologisch en klinisch stadium bij niet-kleincellig longkanker in Nederland rond de 53 procent is. “Een teleurstellende, maar niet echt verrassende conclusie”, zegt hij. “Uit andere literatuur over dit onderwerp wisten we al dat dit probleem bestaat, ook internationaal. Maar we wisten ook dat er landen waren, bijvoorbeeld Denemarken, die tot een duidelijk betere uitkomst kwamen. Dat maakte het interessant om te achterhalen wat de oorzaak van dit probleem kon zijn, en wat kan worden gedaan om het op te lossen.”

Longchirurg dr. David Heineman

Foutief klinisch stadium

De huidige situatie is vooral in het nadeel van patiënten met niet-kleincellig longkanker in het vroege stadium, wanneer de eerste behandeling moet worden gestart, en bij patiënten in stadium III van de ziekte, bij wie de vraag moet worden gesteld of chirurgische behandeling nog iets toevoegt. “Een foutief klinisch stadium kan hier echt grote klinische consequenties hebben”, zegt Heineman. “Als er meer duidelijkheid zou zijn, zou dat kunnen betekenen dat voor de patiënt een ander – beter bij zijn situatie passend – behandelprotocol wordt ingezet. Het probleem is hiernaast ook relevant in relatie tot de recent gestarte studies naar neo-adjuvante behandeling van patiënten met immuuntherapie. Als de stadiëring aan de start niet accuraat is, weet je feitelijk niet wat je in een studie aan het onderzoeken bent. Je wilt als behandelaar zekerheid over de vraag welke ziekte je precies aan het behandelen bent, en met een suboptimale stadiëring heb je die niet.”

“Je wilt als behandelaar zekerheid over de vraag welke ziekte je precies aan het behandelen bent, en met een suboptimale stadiëring heb je die niet”

Richtlijn niet altijd gevolgd

Wat verklaart nu het grote verschil tussen het pathologisch en klinisch stadium? “Hierin spelen een paar dingen een rol”, zegt Heineman. “De specificiteit en sensitiviteit van de onderzoeken is natuurlijk niet altijd honderd procent. Ook wordt onderzoek in de dagelijkse klinische praktijk niet altijd even nauwgezet uitgevoerd als in een onderzoeksetting. En bovendien wordt de richtlijn niet altijd gevolgd. De hamvraag is natuurlijk: waarom niet? De richtlijn is vrij strikt, dat is het punt niet. Maar toch zien we – op basis van vervolgonderzoek waarin we dezelfde casuïstiek steeds aan verschillende MDO-groepen hebben voorgelegd – dat die groepen tot verschillende bevindingen komen over het stadium van de ziekte en over de te adviseren behandeling.”

Hiaten in klinische praktijkvoering

Wat moet er nu gebeuren? Heineman: “Het belangrijkste is behandelaars bewustmaken van hoe ver we in de stadiëring van de ideale situatie af zitten en ze aansporen de richtlijn te volgen. Aantonen dus dat denken dat je er ‘via de binnenbocht’ ook wel komt, écht tot slechtere resultaten leidt. Wat dit betreft is de Dutch Lung Cancer Audit van DICA heel waardevol, want die laat dit erg helder zien. Behandelaars worden hiermee bewust gemaakt van de hiaten in hun klinische praktijkvoering. Een interessante vervolgstap is internationale vergelijking van de DICA-data, zoals in dit proefschrift al is gedaan met de Deense data.”

“Denken dat je er ‘via de binnenbocht’ ook wel komt, leidt écht tot slechtere resultaten”

Hele verhaal?

Verbetering in deze situatie is een kwestie van samenwerking, stelt Heineman. “Longartsen, longchirurgen, nucleair geneeskundigen, radiologen en radiotherapeuten moeten in een MDO heel goed stilstaan bij de vraag of het beeld dat ze op een scan zien het hele verhaal vertelt of dat mogelijk toch meer aan de hand is”, zegt hij.

Lees meer over:


Voor u geselecteerde artikelen

‘We kunnen in de reguliere zorg veel leren van de asielzoekerszorg’

Huisarts Floris Braat draait spreekuur in diverse asielzoekerscentra in de regio Utrecht en in Ter Apel. Hij heeft een grote affiniteit met de doelgroep. "Ik wilde iets doen met vluchtelingen, me bezighouden met verschillende culturen die ieder hun eigen gezondheidsvraagstukken kennen."

‘Preventie is geen nice to know, maar need to know’

Een projectteam van het UMC Utrecht heeft een routekaart gemaakt naar toekomstbestendig onderwijs waarin preventie structureel is ingebed. Aan het hoofd van dit project stond senior docent Anna Kersten. Zij licht de routekaart toe.

De IC overleefd, maar met welke kwaliteit van leven?

Na een IC-opname kan iemand nog langdurig klachten hebben. Deze klachten hebben een grote impact op diens kwaliteit van leven. Arts in opleiding tot anesthesioloog Lucy Porter (Radboudumc) onderzocht of kan worden voorspeld wat de kwaliteit van leven na de IC is.

Casus: man met erectieproblemen na radicale prostatectomie

Een 58-jarige man heeft negen maanden geleden een radicale prostatectomie ondergaan vanwege een gelokaliseerd prostaatcarcinoom. Sindsdien heet hij ernstige erectieproblemen, waardoor hij gefrustreerd is en vermijdingsgedrag vertoont in de relatie met zijn vrouw. Wat is uw beleid?

Hoe dramaseries artsen kunnen helpen bij morele keuzes

Drie afleveringen van House M.D. of Dexter op een avond kijken, puur voor de ontspanning? Voor zorgprofessionals kan het ook leerzaam zijn. Mediawetenschapper Merel van Ommen onderzocht hoe dramaseries artsen kunnen helpen om beter om te gaan met moreel ingewikkelde situaties.

Onderliggend denkpatroon stuurt voorschrijver bij geneesmiddel­keuze

Het voorschrijven van geneesmiddelen is een afweging tussen richtlijnen, ervaring en patiëntkenmerken. Indeling in vier voorschrijversprofielen geeft inzicht in de eigen afwegingen. “En het helpt te begrijpen waarom een collega een andere beslissing neemt.” aldus Mariëlle Hartjes.

‘Medicatiebeleid in de laatste levensfase kan beter’

6 op de 10 patiënten in de palliatieve fase krijgt door de huisarts medicatie voorgeschreven die niet langer passend is. Dat blijkt uit een onlangs verschenen factsheet van Nivel en PZNL. “We moeten voorschrijfgewoonten kritisch onder de loep nemen”, zegt Yvonne de Man, senior onderzoeker bij Nivel.

Casus: vrouw met pijnlijke oorschelp

Een 55-jarige vrouw heeft een hoed in haar hand als ze uw spreekkamer binnenkomt. Sinds een maand heeft zij ’s nachts last van pijn aan het linkeroor. Op de oorrand ziet u een nodulus die bij druk zeer pijnlijk is. Wat is uw diagnose?

‘Live well, die well’: rol van vrijwilligers in de laatste levensfase

Vrijwilligers aan het sterfbed in het ziekenhuis maken een groot verschil, stelt Anne Goossensen. Ze luisteren, troosten en verlichten de werkdruk van zorgverleners. “Ze bieden een luisterend oor en zijn aanwezig, zonder haast of medische agenda.”

Waarom melden vrouwen vaker bijwerkingen van medicijnen?

Vrouwen blijken vaker bijwerkingen van medicijnen te melden dan mannen. Onderzoeker Sieta de Vries van het UMC Groningen probeert te achterhalen hoe dit komt. En dat blijkt complexer dan het lijkt.